Populaire berichten

woensdag 16 februari 2011

LITERATUUR

Wij hebben momenteel niet veel te doen, daarom gaan we ons even met literatuur bezig houden. Vlaamse Verhalen maakt tenslotte deel uit van de wereld van de letteren.

Het woord literatuur (ook wel litteratuur of de letteren) heeft verschillende, dicht bij elkaar liggende betekenissen. In de ruimste zin is literatuur de verzameling van alle teksten, zowel geschreven als in mondelinge vorm. Dat vertelt de encyclopedie ons.

Nu onze eigen interpretatie. Literatuur verdelen we in drie grote groepen:

De letterkunde. 

Hiermee bedoelen we het genre dat ons hoogwaardige kwaliteit schenkt. Hier wringt al het schoentje. Als je de moderne letterkunde leest, kom je nogal wat vulgariteit tegen. Vooral de Vlaamse letterkundigen hebben daar last van. Ze brengen niet bepaald de universele boodschap over die we van goede literatoren verwachten. Hun wereldbeeld is een beetje vreemd en blijft hangen in het kleine landschap dat België heet.




Herman Brusselmans en Kristien Hemmerechts,  allebei bekend van tv, kunnen kennelijk geen boek in elkaar zetten zonder  uitvoerig anatomische details in te lassen, alsof letterkunde zonder uitleg over paringsgedrag geen echte literatuur kan zijn.
Porno geschreven in de beeldspraak van de schone letteren. Misschien hebben hun uitgevers ze dat gevraagd, om hun verkoop op te krikken. Misschien een goed marketing advies, maar daar produceer je geen Nobelprijswinnaars mee.

Oké, we hebben er toch één gehad, Maurice Maeterlinck, een Franstalige Gentenaar. Maar die schreef dan ook mooie dingen, poëtische verhalen met een universele boodschap. Geen geneuk en geestelijke masturbaties ontspoten uit het brein van de puberale schrijver. Nu kun je opmerken: ja maar, die man schreef in het Frans. Dat heeft dus een voorsprong op het Nederlands (en het verkavelingsvlaams). 

Daarom hebben onze gerenommeerde schrijvers als Hugo Claus en Louis Paul Boon geen kans gekregen.

En bovendien zitten we in een klein taalgebied.

Maar uit de Nobelprijzenstatistieken blijkt dat deze argumenten en excuses niet opgaan. Dit is het lijstje van de winnaars volgens de taalgroep en aantal prijzen.

Arabisch
1
Bengaals
1
Chinees
1
Fins
1
Hebreeuws
1
Hongaars
1
IJslands
1
Jiddisch
1
Portugees
1
Servo-Kroatisch
1
Tsjechisch
1
Turks
1
Grieks
2
Japans
2
Deens
3
Noors
3
Pools
4
Russisch
5
Italiaans
6
Zweeds
6
Spaans
11
Duits
13
Frans
15
Engels
25

Tsjechië, Finland en Zweden hebben een kleinere populatie dan België en schrijven in hun eigen taal.

Tot dusver onze blik op onze kleine literaire gemeenschap. Akkoord, er zijn nog wat schrijvers die door de beugel kunnen.  Ik kan me er niet zoveel voor de geest halen. Tom Lanoye, Dimitri Verhulst en Anne Provoost springen er voor me uit, de eerste omdat hij graag politieke pamfletten schrijft, de tweede omdat hij in Nederland nogal wat bijval kent en derde omdat ze zich tot sociaal werk verbindt.

Richten we onze pijlen nu op de grootste groep schrijvers.

De ontspanningslectuur.

De grote moot, waaronder zowat alles valt wat onder letterkunde en poëzie (daarover later) valt en dat gaat van Kiekeboe tot Aspe. 
Alles wat dus verkoopbaar is. Kwaliteit is minder belangrijk, massabereik des te meer. Dit is literatuur die werkt met grote doelgroepen en dus ook met gemene delers. Uitgevers houden van die schrijvers. Hier worden geen grenzen overschreden, geen nieuwe genres ontwikkeld, geen avant-garde trends zien hier het licht. Geen risico’s worden genomen. Het is de literatuur die de hele ketting, van auteur tot kleinhandel, geld opbrengt. Of dat is toch de bedoeling. Want het is ook de wereld van de keiharde competitie. Omdat ontspanningslectuur minder kwalitatieve inzet vergt, en dus ook minder eisen stelt, zijn een hoop would-be auteurs er mee bezig en ze willen allemaal fame and fortune. Het aanbod overstijgt de vraag. Velen zijn geroepen, weinig uitverkoren. Wat bovendrijft is synoniem met succes. Het zijn niet altijd de beste schrijvers. Het helpt als je met je uitgever trouwt (J.K. Rowling) of met je literaire agent (Dan Brown). Marketing speelt een veel grotere rol dan talent.

Van letterkundigen kun je ten minste zeggen dat ze de opleiding voor hun talent genoten hebben (Brusselmans en Hemmerechts hebben allebei Germaanse filologie gestudeerd, en ze weten hoe ze met taal moeten omgaan).

Dat is niet altijd het geval met de ontspanningsschrijvers. Die komen van overal. Concentreren we ons op de

Roman.


Ze kunnen Eddy Planckaert heten, of Stieg Larsson. Ze kunnen Winston Churchill , Stalin of Napoleon Bonaparte heten (alle drie hebben romans geschreven). Als hun taalgebruik te wensen over laat, zal de proeflezer of uitgever dat wel verbeteren. Daar malen ze niet zo erg om.
Wat ze wel belangrijk vinden, is wat de uitgever ervan vindt. Die volgt de concurrentie op de voet. Als ze zien dat een bepaalde strip of boek aanslaat, gaan ze die meteen kopiëren. Plagiaat is schering en inslag. Het gaat hier niet om de eenzame schrijver op zijn zolderkamer die het brood uit zijn mond spaart om een meesterwerk te plegen, in de hoop dat hij na zijn dood de Vincent van Gogh van de letterkunde mag worden. Het gaat om snel reageren, volgen hoe de markt reageert,  en transportbandwerk produceren. De koe moet uitgemolken worden. Als de goed verkopende misdaadroman een politiespeurder met een drankprobleem opvoert, moet de volgende ook aan drugs verslaafd zijn, want dat is een stimulans om nog meer te verkopen. Dat de ontspanningsroman business is, kunnen we bijvoorbeeld goed volgen aan de hand van het fenomeen Dan Brown, de Amerikaanse ontdekker, of beter gezegd de 'herontdekker' van de fact fiction, waarin fantasie met feiten vermengd wordt. De massale verkoop noopte de uitgevers oude fact fiction romans uit de kast te halen en die opnieuw in een modern jasje uit te brengen, zodat het lijkt alsof Dan Brown heel wat volgelingen heeft gekweekt. De schrijvers die hun, soms tientallen jaren oude werk, weer in de rekken zien liggen, proeven de bittere nasmaak van die ordinaire geldhoererij.

Strips.
Tekeningen met tekstballonnen. Nog net binnen de (ruime) begrenzing van de definitie.
Dan denken we meteen aan Suske en Wiske, zowat de enige stripfiguren die zowel in Vlaanderen als Nederland goed verkocht worden. De verhaallijnen zijn eenvoudig, met herkenbare personages en steevast met een happy end. De goeden overwinnen de slechten. Het is niet de bedoeling om gewetensvragen en morele kwesties aan te boren. Dat laten we aan de letterkunde over. Als je vijf strips of twee romans per jaar moet produceren (soms contractueel bedongen) heb je geen tijd om ingewikkelde draaiboeken na te vlooien. Je houdt het simpel. Alle ontspanningslectuur toont dezelfde kenmerken, roekeloos avontuur met burgerlijke conformiteit vermengd.
Het gaat niet zo goed met de stripverkoop. Marketing kan ook tegenslaan. Er zijn er te veel, en de meesten ogen ouderwets omdat ze nog altijd de traditionele tekenkunst hanteren. Een uitzondering is de beeldroman, of de literaire strip, of de graphic novel. Sommigen zijn grafische kunstwerken, anderen hebben premisses die in een volwassen roman niet misstaan. Het genre is nog vrij jong en omdat deze strips prijzig zijn (door de hogere productiekosten) is de verkoop  lager dan die van de gewone strip. Afwachten dus hoe het verder gaat.



Jeugdboeken en sprookjes.

Ik neem aan dat niemand hier letterkunde zal achter zoeken. En als er daartoe al pogingen voor gedaan werden, liepen die toch op niets uit. Hans Christian Anderson, de grote sprookjesschrijver, was gefrustreerd omdat zijn verhalen als kinderlectuur beschouwd werden. Dat gold trouwens ook voor de sprookjes van Godfried Bomans. En Jules Verne zag met lede ogen toe dat de Britten zijn avonturenboeken ook al jongensboeken vonden…



Jeugdlectuur is in Vlaanderen een van de best verkochte genres. We hebben dan ook heel goede jeugdschrijvers. Een reden daarvoor is dat heel wat Vlaamse schrijvers een dagtaak als leerkracht hebben en dus dagelijks met jeugd bezig zijn, die hun voldoende inspiratie opleveren. 

Het prototype van de Vlaamse jeugdschrijver is ongetwijfeld Marc de Bel, niet toevallig ook onderwijzer voor hij van zijn pen begon te leven. Als hij zijn werk in de Verenigde Staten, het land van de marketing, had kunnen lanceren, was hij nu de mannelijke J.K. Rowling geworden.



Broodschrijverij.


Prototype is  Julien Van Remoortere die zowat 300 boeken en een paar duizend verhalen schreef, en nog niet aan fin de carrière spleen lijkt te lijden, gaande van wandelgidsen en jeugdboeken tot Vlaamse Filmpjes. Hij schreef ook literair werk maar dat werd niet zo goed verkocht. Misschien word je als auteur geboren om een bepaald genre te schrijven. Schoenmaker blijf bij je leest, een gezegde dat in elk geval voor auteurs van ontspanningslectuur opgaat. Al met al blijft Van Remoortere een van de succesrijkste broodschrijvers van Vlaanderen.

Jef Geeraerts, ook zo'n veelschrijver, is zowat de enige Vlaamse auteur die ook in Nederland goed verkocht wordt (of werd, want hij schrijft niet meer), en hij heeft er een comfortabel leventje mee opgebouwd, wat hem in staat stelde om avontuurlijke reizen te ondernemen, die hij daarna dan weer in boekvorm goot. Een winstgevend recyclageproces. Maar eerlijk is eerlijk: hij staat mijlen ver boven schrijvers als Pieter Aspe, Luc Deflo en Bob Mendes. Hij heeft tussen haakjes, in tegenstelling tot voornoemde auteurs, ook Germaanse gestudeerd (nadat hij vaststelde dat zijn taalgebruik te wensen overliet).


Een ontspanningsschrijver hoort bij de vermaakindustrie, de recreatiebranche. Zijn werk is bedoeld voor een paar uurtjes zorgeloos vermaak. Een verzetje tussendoor. Dat is een nobele taak, zij het dan dat hij er zelf ook beter van wil worden. Hij werkt graag met vaste, herkenbare patronen die hun verkoopbaarheid hebben bewezen. Hij  is zelf ook een beetje marketeer.

De voorgaande schrijfstijlen noemen we samen proza omdat we een onderscheid willen maken met poëzie. Voor we poëzie aanvallen, eerst wat uitleg over de verfilmde Vlaamse romans. Sinds de invoering van de tax shelter , waarbij sponsors hun inbreng fiscaal kunnen aftrekken, is er heel wat vers kapitaal ter beschikking en daar profiteert het filmwezen van.
  
Het scenario.


Deze schrijfstijl (het is geen genre) is ontstaan uit de noden van de showbusiness en  is bij alle prozaschrijvers populair en vormt daarmee een synergische verbroedering tussen kunde en ontspanning. Kennelijk is de fascinatie om in een film of tv-reeks te zitten, zelfs als het enkel om de aftiteling gaat, bij beide literaire genres even groot. Hun romans worden verfilmd op basis van een scenario.

Een scenario is zowat de droogste vorm van schrijven, beknopt, wars van fraaie beschrijvingen en karakterdetails, en soms al met het oog op het camerawerk (in dat geval spreken we over een draaiboek). Sommige auteurs schrijven zelf het draaiboek.  F.C. Kampioenen, de langstlopende tv-serie in Vlaanderen, heeft schrijvers als scenaristen gehad. En vele scenaristen hebben een filmopleiding genoten, waardoor ze elkaar in het medium terugvinden.

Heel wat Vlaamse romanciers werden verfilmd. Henri Conscience, Ernest Claes, Felix Timmermans, Willem Elsschot, Johan Daisne, Herman Teirlinck, Hugo Claus, Louis Paul Boon, Hubert Lampo, Jef Geeraerts, Dimitri Verhulst,  Anne Provoost,  Tom Naegels, Tom Lanoye, Herman Brusselmans, en nog meer. Het lijstje is indrukwekkend. Een verfilmde roman is de bekroning voor de moderne mediagevoelige schrijver, en weinigen protesteren als hun werk verminkt wordt tot een scenario voor het op het witte scherm verschijnt, tenminste zij die al dood zijn, toch niet.

Het korte verhaal.

Het korte verhaal is eerder een schrijfstijl dan een genre (maar smaken verschillen). Het is veel ouder dan de roman. In de middeleeuwen bestonden al de zogenaamde raamvertellingen, waarbij een aantal korte verhalen tot een geheel werden gesmeed en in toneelvorm opgevoerd. Het maakt onderdeel van het proza uit en wordt zowel door letterkundigen als ontspanningsschrijvers beoefend. De definitie leidt je af van het aantal woorden of bladzijden dat de tekst beslaat. Als vuistregel worden teksten tot 5 a 6000 woorden als kort verhaal aangeduid. Langer, maar korter dan een roman, wordt een novelle genoemd. Omgekeerd krijgen we dan het zeer korte verhaal (ZKV), of flashverhaal zoals Vlaamse Verhalen ze heet. De specialist betreffende is de Nederlander A. L. Snijders. In Vlaanderen en Nederland kom je niet rond met het schrijven van korte verhalen. Ze worden meestal gepubliceerd in literaire tijdschriften of in bloemlezingen, waar je heel weinig of niets voor terugkrijgt. In Vlaanderen worden ze ook dikwijls geassocieerd met schoolopstellen, wat het prestige geen goed doet. Ten onrechte trouwens, want Hollywood heeft massa’s korte verhalen tot kassuccessen omgewerkt, maar ja, dat is Amerika natuurlijk. Het is trouwens een stijl die in de Angelsaksische schrijfwereld hoog aanzien heeft en waarvoor de inzendingen betaald worden. Genres als sciencefiction, horror, fantasy zijn uitstekend geschikt voor dit medium. Het internet heeft voor een enorme toevloed van korte verhalenschrijvers gezorgd, waarbij zoals altijd, enkel de kruim bovendrijft. Er zit toekomstmuziek in het internet omdat je de verhalen kunt downloaden om ze op je computer of e-reader te lezen. Dat is trouwens ook de bedoeling van ons project. Meer over het korte verhaal vind je in onze vorige blogbijdrages. Een portaalsite, waar Vlaamse Verhalen ook een nestje heeft, is startpagina

De poëzie. 

Het kleine broertje van de literatuur, maar dan wel eentje van formaat. Dit is de oudste vorm van schrijven. De eerste teksten waren verbaal en werden in dichtvorm gegoten. Veelal werden ze ook gezongen gebracht. De reden daarvoor was dat mensen die niet konden lezen, de teksten dan wel gemakkelijker uit het hoofd konden leren en mondeling overdragen dankzij de korte, eenvoudige zinnen en het gerijm. Ook een bijhorende melodie hielp daartoe. De Ilias en de Odyssee zijn in feite gedichten (of ze ook gezongen werden, weten we niet). In die tijd had poëzie een praktisch nut: het was een efficiënt middel om informatie over te brengen. Later kreeg de poëzie een eigen status, toen de drukkunst geboren werd en mondelinge overdracht zijn monopolie verloor. 
Poëzie werd een onderdeel van de literatuur, maar dan een die zich van proza wilde onderscheiden. Het kreeg de status van kunstvorm en dit is zo gebleven. Er zijn verschillende soorten poëzie, maar welke benaming we er ook aan geven, de oervorm wordt erkend als de beste definitie, namelijk dat poëzie moet gezongen kunnen worden. Het is geschrijf met een melodie op de achtergrond. We weten dat de oude Grieken hun gedichten op de lier begeleidden (waaruit lyrische gedichten) en sinds de uitvinding van de grammofoon heeft de dichter in de vorm van de tekstschrijver een eigen status gekregen.
De teksten van de popmuziek worden door cultuurestheten misprezen, maar dat is niet geheel terecht. Bob Dylan, Leonard Cohen en Tom Waits hebben ware pareltjes afgeleverd, en zoals in alle kunstvormen moet je het kaf van het koren scheiden.

Ook in het Nederlandse taalgebied hebben we muzikale virtuozen, zoals Ramses Shaffy, Robert Long, Herman van Veen en Lennart Nijgh voor Nederland en Jan de Wilde, Johan Verminnen en Wim de Craene voor Vlaanderen. Hier worden poetische songs luisterliedjes genoemd.

Poëzie in de vorm van dichtbundels wordt slecht verkocht. Ook hier speelt marketing een rol. Een uitgever weet dat hij een dichtbundel van 30 pagina’s niet duur mag prijzen, maar ongeacht het aantal bedrukte bladen blijft de productieprijs praktisch dezelfde. Dan ben je natuurlijk geneigd om een romanpil van 300 pagina’s te verkiezen die gegarandeerd zal opbrengen. Het is dus meer een werk van liefde, van idealisme. Het is verleidelijk om zichzelf als een mecenas met een nobele missie te zien. De dichter zelf wordt er ook niet rijk van. Hij/zij mag zich op de borst slaan als er 2.000 exemplaren verkocht geraken. En als hij die in eigen beheer uitgeeft, is de kans groot dat de onverkochte stapel in de garage, kelder en zolder ligt te verzuren.

Maar er bestaan ook witte raven onder de dichters. De rijkste en dus sociaal succesvolste dichter is de Nederlander Jean-Pierre Rawie. Hij is dé volksdichter van Nederland. Zijn bundels halen hoge oplagen, zijn sonnetten worden geciteerd in overlijdensadvertenties en liefdesbrieven.
Even citeren uit http://www.xs4all.nl.
Samen met Annie M. G. Schmidt ben je de meest gelezen dichter van Nederland. Maakt dat jou tot Nederlands rijkste dichter?
'Was dat maar waar. De oplage van een dichtbundel is, zelfs als hij een succes is, nog heel gering.'
Ik dacht dat er oplagen van vijftigduizend exemplaren waren.
'Dat was Onmogelijk geluk, dat ging heel hard. Maar ja, ik kan ook hard uitgeven.'
Ben je tevreden met de erkenning die je krijgt?
'De kritieken worden de laatste jaren steeds beter. Ik zou het hooguit aardig vinden als er eens literaire prijsjes mijn kant op kwamen.'
Mijn succes wordt me door kunstbroeders niet altijd in dank afgenomen, heb je gezegd.
'Mijn werk en persoon roepen vaak grote agressie op. Zo weet ik bijvoorbeeld dat mijn poëzie nooit genade zal vinden in de ogen van Piet Gerbrandy. Evenmin als bij Remco Ekkers.'
(Behulpzaam: 'Remco Ekkers is de schrijver van het kinderboek Kipje Tok. Deel 2: Kipje Tok legt een ei.)
Als je als dichter niet verkoopt, móét je wel iets zeggen ten nadele van bundels die wél lezers vinden. Ach, ik houd mij maar vast aan Dickens die zei: "De enige kritiek die ik serieus neem, zijn mijn verkoopcijfers..."



Vlaanderens bekendste dichter, Herman De Coninck, kon niet van zijn poëzie leven. In tegenstelling tot Ramie kreeg hij wel veel literaire prijzen voor zijn bundels, maar dat bleef bij prestige in plaats van een vette bankrekening. Maar hij hield zich dan ook niet met versjes bezig… En zeg nu zelf: wie van ons kent Ramie?

Tussen haakjes, wie op literaire prijzen aast, kan kiezen uit zo'n honderd dertig, en dat alleen al in het Nederlandse taalgebied...








Er is nog een literair genre: het theater. Maar hier zitten we eerder in de beeldende kunst. Theater is driedimensioneel en vergt dus ook inspanning van onze zintuigen. Hierdoor komt de tekstinhoud in de verdrukking. Onze ogen en oren zijn sterkere fysiologische instrumenten dan onze auditieve hersenen. De hersenmap die onze hoedanigheid regelt om woorden te lezen en daar beelden bij te vormen, geraakt hierbij op de achtergrond. Dus: theater hoort niet bij de literatuur. Als er toch gecatalogiseerd moet worden, is gesproken woordkunst de beste plek. Waarom er dus woorden aan verspillen?


Volgens de Britten is Shakespeare de grootste Engelstalige schrijver. Nu is, bij mijn weten,  Shakespeare een dichter en een theaterschrijver. Met romans heeft hij niets te maken. Hun tweede grootste schrijver is Winston Churchill, Nobelprijs voor literatuur, voor zijn biografie over de tweede wereldoorlog. Rare jongens, die Britten…

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.